Mochilatechniek: bodem – ronde 1 tem 8

In deze mochila Wayuu gratis cursus leer je mochilatechniek gebruiken om een tas te haken: een mochila Wayuu. Aan het einde van de cursus heb je een kleine (maat S) tas gehaakt in mochilatechniek en misschien zelfs het tassenvirus te pakken gekregen. Veel succes!

Copyright! 

De cursus is gratis en bedoeld voor eigen gebruik. Deze cursus noch onderdelen van deze cursus mogen verkocht worden noch gedeeld (online of via print) onder jouw eigen naam. Wil je toch graag delen, neem contact op via mochilatasnl@gmail.com en leg uit waarom en hoe.

In dit derde deel beginnen we met de eerste acht rondes van de bodem.

Materiaal klaar liggen? Vier kleuren katoen? Haaknaald kleiner dan het garen? Steekmarkeerders? Dan beginnen we met de bodem!

Een klassieke tas in mochilatechniek heeft een ronde bodem. Er zijn uiteraard variaties: ovaal, vierkant, rechthoekig of zelfs ‘bodemloos’. Maar in deze minicursus begin ik met een ronde bodem.

Plat of een kom, dat is de vraag

Een bodem haak je met 8 meerderingen, 10 meerderingen of 12 meerderingen. Hoe weet je welke hoeveelheid past bij jouw stijl? Proberen! Je begint met 8 meerderingen en haakt vier tot zes ‘rondes’.

Krijg je een kommetje en vind je dat niet zo erg? Probleem opgelost. Gaandeweg leer je wat je mooi vindt en wat jouw stijl is.

~~ Foto’s vind je wat verderop in paragraaf Ronde 3. ~~

Krijg je een kommetje terwijl je een platte bodem wil? Kijk naar je haakwerk. Zijn je steken wijd? Dan probeer je eerst een kleinere haaknaald.

Krijg je nog steeds een kommetje? Schakel over naar het patroon met 10 meerderingen. Nog steeds een kommetje? Varieer opnieuw je haaknaald. Denk eraan: kleiner.

Krijg je nog steeds een kommetje? Schakel over naar het patroon met 12 meerderingen. Ook nu weer: varieer met haaknaalden voor het beste resultaat.

~~ Ik kan geen platte bodem van 8 meerderingen haken. Wat ik ook probeer, het lukt mij niet. Daarom haak ik een bodem van 10 meerderingen met een haaknaald 1,75 bij garen van 2,5-3. ~~

Aan de slag nu!

Ik voeg de meeloopdraden altijd één voor één toe. Je kan wanneer de bodem klaar is de meeloopdraden in het centrum nog iets strakker aantrekken op deze manier. Maar het is geen vereiste. Wil jij ze allemaal tegelijk toevoegen, gewoon doen.

‘Ronde’ 1

Start met een magische ring en haak je eerste 8 vasten. Ik moet altijd moeite doen om mijn eerste vaste terug te vinden. Ik weet het, redelijk gek. 😉 Gelukkig zijn er steekmarkeerders. Mijn steekmarkeerder steekt hier in de eerste vaste van de eerste ‘ronde’.

Een magische ring met 8 vasten geeft een gesloten bodem. Bij 10 en 12 vasten kan je een piepklein gaatje zien in de bodem. Als je je daaraan stoort, begin met 5/6 vasten (‘Ronde’ 0), meerder naar 10/12 vasten (‘Ronde’ 1).

‘Ronde’ 2

Haak je eerste meerdering (2 vasten in de achterste lus) in de eerste vaste van de eerste ‘ronde’. Steek je steekmarkeerder in de eerste vaste van de meerdering oftewel je eerste vaste van ‘ronde’ 2.

Nu begint je spiraal. In de tweede ‘ronde’ meerder je op alle steken dus van 8 naar 16 (10 naar 20, 12 naar 24). Tel ze! Als de basis al fout is zal de fout door de spiraal alleen maar groeien. Geen 15, geen 17, maar 16(20/24) steken.

Tegelijk voeg je je eerste meeloopdraad toe. De kleur mag je zelf kiezen. Zie je je meeloopdraad opvallend in de vaste terwijl je haakt? Neem een kleinere haaknaald. Op dit moment hoef je nog niet aan meeloopdraden te trekken om te corrigeren.

~~ Contrasterende kleuren vallen altijd meer op. Zwarte draden blijven bijna altijd zichtbaar in een witte vaste en vice versa. Daarom worden tassen met bijvoorbeeld 2 kleuren vaak gehaakt met grijze meeloopdraden. ~~

Voeg de eerste meeloopdraad toe.

‘Ronde’ 3

Je hebt de tweede ‘ronde’ klaar. Je begint de derde ‘ronde’ met één vaste in de eerste vaste van de tweede ‘ronde’. Nu voeg je de tweede meeloopdraad toe en haak je de meerdering in de tweede vaste van de derde ‘ronde’. Vergeet je steekmarkeerder niet en ook hier weer: tel!

Derde meeloopdraad

In de tabel hieronder zie je hoeveel steken je moet hebben na elke ‘ronde’.

Het beruchte kommetje

Ik ben deze bodem begonnen met 8 meerderingen. Zoals je ziet begin ik nu al het beruchte kommetje te krijgen. Uit ervaring weet ik dat ik dit wel plat kan duwen maar dat het alleen maar erger wordt naarmate ik verder haak. Ik eindig met een flinke sombrero als ik 8 meerderingen blijf doen! Dus ik haak hier af. Ik haal alles uit en begin opnieuw met 10 meerderingen. Voor jou en voor het volgen van de minicursus maakt dit niets uit! 8, 10 of 12 meerderingen, de techniek blijft hetzelfde.

Geen kommetje met 10 meerderingen

Papieren patroon

Heb je ondertussen op je papieren patroon je ‘rondes’ aangeduid? Want we gaan nu met het figuur beginnen. Met wat meer ervaring heb je al deze aantekeningen op je papieren patroon niet nodig. Je moet uiteindelijk maar aan twee dingen denken: “zitten mijn meerderingen het figuur in de weg” en “zijn mijn meerderingen goed verspreid over het haakwerk”.

Gehaakte ‘rondes’ aangeven op patroon

‘Ronde’ 4

De vierde ‘ronde’ begint met 3 blauwe steken waarvan een meerdering.

Vergeet niet je derde en laatste meeloopdraad toe te voegen!

Je eerste 3 blauwe steken zijn gehaakt. Nu begint het zwarte figuur en je eerste kleurwisseling.

Kleurwisseling

De kleurwisseling begint door de blauwe vaste ‘af te maken’ met de zwarte draad. Daardoor krijgt de volgende zwarte vaste geen blauw maar een zwart hoedje. Dan heb je de kleurwisseling goed gedaan. Op de foto’s zie je het verschil. Foto 1 en 2 zijn de foute kleurwisseling, foto 3 en 4 zijn de goede kleurwisseling.

Fout: blauwe vaste afmaken, blauwe draad laten vallen en zwarte draad oppakken, zwarte vaste beginnen.

Fout: hierdoor krijgt de zwarte vaste een blauw hoedje.

Goed: hierdoor krijgt de zwarte vaste een zwart hoedje.

~~ Grijp bij het wisselen van kleur de draad bij de bol en leidt ‘m naar je haakwerk toe. Als je wisselt bij je haakwerk (handig want veel sneller maaaaaaarr…..) zal je uiteindelijk een complete kluwen van in elkaar gevlochten draden krijgen. ~~

Hoeveel steken volgen er nu? Kijk op je patroon:  een zwarte steek, een blauwe steek, een zwarte steek. Dat is de start van je eerste zwarte figuur. Kijk op je patroon. Wat komt daarna? Vijf blauwe steken. Maar let op! Binnen die 5 blauwe steken vallen 2 meerderingen!

Dit herhaal je tot je je laatste zwarte figuur gehaakt hebt. Dus 4 keer wie 8 keer meerdert, 5 keer wie 10 keer meerdert (zoals ik) en 6 keer wie 12 keer meerdert.

4/5/6 keer je zwarte figuur gemaakt? Mooi! Maar je bent nog een steek verwijderd van de eerste steek van deze ‘ronde’. Als je kijkt op je patroon zie je dat daar nog een meerdering moet komen voor deze ‘ronde’ af is en we aan ‘ronde’ 5 beginnen.

~~ Als het voor jou makkelijker is, streep dan op je patroon met pen of stift elk stukje dat je gehaakt hebt weg, zoals ik hieronder gedaan heb. ~~

‘Ronde’ 5

‘Ronde’ 5 is niet veel anders dan ‘ronde’ 4. Kijk op je patroon wat je moet doen.

Je begint weer met 3 blauwe vasten waarvan een meerdering. Maar nu haak je 2 zwarte steken. Op je papieren patroon lijkt het alsof die steken niet op elkaar passen. Maar dat ligt aan het papieren patroon. Op papier krijgen de steken een andere plek maar in je haakwerk zit alles boven elkaar. Probeer het maar. Haak nu 1 blauwe vaste, dan 1 blauwe meerdering en voila, er zijn nog 2 vasten over van ‘ronde’ 4, een blauwe en een zwarte, waarop je de 2 zwarte vasten van ‘ronde’ 5 kan haken.

Maak het zwarte figuur af en haak weer 5 vasten met blauw, zoals je op het patroon ziet. En herhaal dit weer precies zoals je met ‘ronde’ 4 ook deed.

Einde ‘ronde’ 5. Tijd om het even te hebben over het trekken aan je meeloopdraden.

Trekken aan je meeloopdraden

Heb je trouwens al naar de ‘achterkant’ van je werk gekeken?

De ‘achterkant’ van de bodem zit straks diep in je tas.

Hier en daar zie je bij mij een oranje draadje maar dat stoort mij totaal niet. Dit komt straks aan de binnenkant te zitten. Maar hoe zit het bij jouw haakwerk? Zie je daar de meeloopdraden kronkelen over de achterkant? Dan hou je de meeloopdraden niet goed onder spanning tijdens het haken. Geen ramp! Zelfs de meest ervaren mochilahaaksters (M/V) trekken regelmatig aan de meeloopdraden om de spanning weer gelijk te krijgen.

Leg je bodem plat en leg je vingers op de rand waar de meeloopdraad doorheen loopt. Ik doe het met links omdat ik rechtshandig ben. Trek dan voorzichtig aan één van de meeloopdraden die je niet net gebruikt hebt. In dit geval wit of oranje. Als er te weinig spanning staat op je draden voel je ze bewegen onder je vingers. Zijn de draden echt zichtbaar dan zal je ze ook zien bewegen.


Zodra je bodem groter wordt of je aan de zijkant begint zal je dit waarschijnlijk doen om de 10 a 20 steken. Je leert gaandeweg waar in het patroon je het beste een keer aan je meeloopdraden kan trekken. Ervaring speelt hierin een grote rol dus niet boos zijn op jezelf als dit nog niet goed lukt de eerste keer.

‘Ronde’ 6

‘Ronde’ 6 verschilt niet van 4 en 5. Haak ‘ronde’ 6 tot aan het einde, inclusief de laatste 2 vasten van de laatste meerdering en klaar is ‘ronde’ 6.

‘Ronde’ 7

Kijk goed naar je papieren patroon. Je ziet dat het zwarte figuur nu weer kleiner wordt. Veel haaksters hebben nu een paniekmoment. Want er staan meer blauwe steken en dat klopt toch niet met het haakwerk! Dit is de eerste keer dat je bewust het verschil ziet tussen de rondes van het papieren patroon en de ‘rondes’…nep-rondes zou ik bijna zeggen…van het haken in een spiraal.

Wat je brein je tot nu toe wijs heeft kunnen maken dankzij het papieren patroon is dat je in ‘rondes’ haakt. En dat ziet er zo uit. Je begint bij de eerste steek en eindigt bij diezelfde steek.

Maar eigenlijk haak je in een spiraal en eindig je telkens bij de eerste steek van de volgende ronde en dat ziet er zo uit.

Sommige mensen hebben hier geen moeite mee. Anderen hebben genoeg aan het tekenen van een duidelijke lijn op het patroon om de overgang te begrijpen. Maar als je er dan nog steeds moeite mee hebt is het handig om je bodem langs de grens te knippen en verspringend aan elkaar te plakken zoals ik hierboven gedaan heb. Let dan wel op! Je ziet dan op papier het patroon op twee plekken verspringen terwijl het dat maar één keer doet wanneer je haakt: bij het einde van elke ‘ronde’.

Terug naar je haakwerk. Misschien is het je al opgevallen dat je haakwerk een lichte hoekige vorm gekregen heeft in plaats van mooi rond?  De reden is dat tot nu toe de meerderingen telkens op dezelfde plek gehaakt moesten worden. Door het figuur was er geen ruimte om de plaatsing te variëren. Om die hoekige vorm weer rond te maken heb ik de meerderingen in ‘ronde’ 7 en 8 ook op een andere plek gezet.

Haak nu verder aan ‘ronde’ 7. Hoeveel steken haak je aan het einde? Vier stuks waarvan een meerdering.

‘Ronde’ 8

Deze ‘ronde’ verschilt in wezen niet van ‘ronde’ 7. Haak de ronde tot aan het einde.

 

Volgende delen van de cursus

  1. Mochilatechniek: materialen
  2. Mochilatechniek: termen
  3. Mochilatechniek: bodem – ronde 1 tem 8
  4. Mochilatechniek: bodem – ronde 9 tem 18
  5. Mochilatechniek: zijkant
  6. Mochilatechniek: knoopsgaten (en afwerking)
  7. Mochilatechniek: schouderband

 

Deze website draait op cms WordPress, thema Allegiant van CPOThemes.

Colofon

Titel: Tassen haken: mochilatechniek – 10 unieke patronen met uitleg
Auteur: Anja Van Ginneken
Copyright © 2018 Tekstbureau Van Ginneken

KVK 14 1111 19
Plaats: Winschoten – Groningen

Eerste druk: 3 oktober 2018
Drukker: Ipskamp Printing

Genre: Handwerkboek
ISBN 978-90-829203-0-7
NUR 474

Vormgeving

Omslagontwerp: Anja Venema – Feste Communicatie
Vormgeving binnenwerk: Anja Venema – Feste Communicatie
Eindredactie: Annelies Ludwig-Kaan – SterksTaaltje
Foto’s: Linda Perdok – Anja Van Ginneken

Ondersteuning via
Facebookgroep: Tassen haken: Mochilatechniek
E-mail: mochilatasnl@gmail.com

Alle rechten voorbehouden